Page 22 - Stuij Familiemagazine november 1998
P. 22

Stuij Familie Magazine

Inderdaad een merkwaardige levensloop, zij het ook, dat al deze feiten met het nodige
voorbehoud hier neergeschreven worden.

De aanleiding tot het onderzoek.
In de loop van 1951 werd door kapper Struijk, die in de oude aan de kerk gebouwde
onderwijzerswoning zijn bedrijf uitoefende, gevraagd zijn keuken van een nieuw behangetje
te voorzien, omdat het oude als een ?zak? er bij hing. Hem werd toegezegd, dat dit een
volgend jaar zou geschieden en in april 1952 werd begonnen het oude behangsel en jute weg
te halen. De keuken was tegen de zuidelijke torenmuur aangebouwd en toen men behang en
jute had verwijderd en daardoor de tufstenen torenmuur te voorschijn kwam, bleek dat dit
gedeelte doorzeefd was met scheuren.

Onmiddellijk werd een verder onderzoek naar de deugdelijkheid dezer torenmuur ingesteld.
Het betrof het gedeelte torenmuur boven de zolder van de keuken. Deze ongebruikte ruimte
was afgedekt met een lessenaar-dak tegen de toren. Ook deze muur bleek in slechte staat.
Teneinde deze zuidmuur ook aan de binnenkant van de toren te kunnen inspecteren, moest een
oude muur van ijsselsteentjes en het nodige houtwerk afgebroken worden. Deze inbouwsels,
stonden bekend als het cachot, waar vroeger arrestanten werden geborgen. Ook, het toen
vrijgekomen gedeelte van de torermuur was zeer slecht. Het bleek, dat‘ het boven liggende
metselwerk, van kloostermoppen zich als het ware in de muur van tufsteen ingeperst had.
Op meerdere plaatsen was de tufsteen kennelijk verbrijzeld. Het was mogelijk op sommige
plaatsen de arm in de gespleten muur te steken en er handen vol tufzand uit te halen.

Op een vraag aan de kapper, of hij nooit iets gehoord had, wat op verbrijzeling kon duiden,
werd medegedeeld, dat men inderdaad wel eens wat had horen vallen en rommelen, maar dat
de eerste gedachten uitgingen naar muizen of naar kolen, welke men dacht, dat in de toren
waren opgeslagen en welke aan het verschuiven waren.
De hele situatie was allerminst aangenaam en begon er steeds dreigender uit te zien. In allerijl
werd daarom het onderzoek verder voortgezet. Hiertoe was het nodig de toren inwendig te
ontgraven om de scheuren te kunnen nagaan en om de kwaliteit van het tufstenen metselwerk
te kunnen beoordelen.

Het materiaal bestond uit z.g. Weibringer tuf.
Bij de ontgraving werd op circa vier meter onder de dijkkruin een Bremer zandstenen
sarcophaag aangetroffen, afgedekt door een plaat van hetzelfde materiaal. Het hierin liggende
skelet werd aan de zorgen van de afd. Anthropologie van de Rijksuniversiteit te Utrecht
toevertrouwd.
Bij de verdere ontgraving, welke tot het allernoodzakelijkste werd beperkt om zo min
mogelijk secundaire reacties te voorschijn te roepen, werd geconstateerd, dat de lager gelegen
fundering nog in redelijke toestand verkeerde en dat voormelde gebreken niet aan
verzakkingen van de fundering waren toe te schrijven.
Ook kon nu een meer gedetailleerde berekening opgesteld worden, waaruit de voorhanden
zijnde veiligheidscoëfficiënt kon worden afgeleid. De veiligheid, welke normaal tenminste 5
moet zijn, bedroeg slechts 1.3.

November 1998  21
   17   18   19   20   21   22   23   24   25   26   27