Page 18 - elizabethsvloed
P. 18
20
noemd, maar meer naar het zuiden met den
naam van het Bergsche Veld aangeduid.
Natuurlijk werden spoedig na de ramp po-
gingen in het werk gesteld, het verloren land
te herwinnen, vooral door Dordrecht, dat zijn
rijk achterland noode missen kon. De regeertng
schreef een brief aan hertog Jan van Beieren, om
hem te verzoeken, binnen der stede te comen, om
te helpen raden en vorderen "tot der dijckaedzen
ende aen te zien de ewige verganckenisse, worde
't lant niet korts gedijct ". En hertog Jan kwam
daartoe over, en beval 6 April 1422, dat binnen,
acht dagen moest begonnen worden met be-
dijken en verklaarde het land der onwîlligen
verbeurd. Hij zou de her dijking gezamenlijk
met de stad ondernemen, en mocht zijnerzijds
hieraan iets ontbreken, dan had Dordrecht het
recht, het groote werk alleen te verrichten.
Als het verbeurde goed der onwitligen niet
voldoende bleek, om de kosten te dekken, dan
zouden deze aan den Iijve aangesproken worden.
In April 1423 kreeg de stad het recht d.e on-
willigen tot het bedijken "zoolang op te houden,
tot zij der dijkage te hulp zouden gekomen
zijn". De onwilltgen waren vooral die van Heus-
den, Altena, Sprang, 's-Gravenmoer, Bezooien,
en die onwil, gevoegd bij de treurige tijds-
omstandigheden, veroorzaakte, dat de bedijking
zeer langzaam vorderde. Wel hadden Haarlem,

