Page 19 - elizabethsvloed
P. 19
21
Delft, Leiden, Amsterdam en Gouda een bedrag
van 2500 Beiersche guldens uitgelegd, tot der
dijckaedzen behoef", wel werd door hertog
Filips van Bourgondiƫ, den opvolger van hertog
Jan van Beieren, in November 1425 een som van
28.000 kronen beloofd, om de verdronken waard
te herdijken, maar er kwam niets van en zoo
werden van tijd tot tijd slechts kleine gedeelten
lands teruggewonnen, dewijl men een alge-
heele indijking voor een onmogelijk werk hield.
Het land, voor een groot deel uit veengrond
bestaande, was te diep weggespoeld, om aan-
winning voonIoopig mogelijk te maken. Het
duurde tot 1467, eer aan de oostzijde (het land
van Altena) en tot 1471, eer aan de westzijde
(Oud-Bonaventura), begonnen werd met in-
dijken. Aan de Merwedezijde waren de dijken
zoo afgekalfd en verspoeld, dat er van herstel
geen sprake was. Jarenlang vindt men slechts
een paar dijkfragmenten vermeld, als de Wit-
boom onder Crayestein, en de Pereboom onder
Houweningen, die als limietscheidingen dienden;
De verloren gegane bezittingen van heerlijk-
heden, kloosters enz. werden door de Overheid
vervangen door vischrechten, "hetwelk, zegt
Vossius, zij ten deele gedaen heeft, op goede
hoop, dat zij (de eigenaars) met des te grooter
moed de dijken mogten koemen te her maken ".
Zoo verkregen de monniken van Eemstein

