Page 6 - elizabethsvloed
P. 6
6
Strijen. Hij raakte daarover in geschil met de
stad Dordrecht, en de heemraden van de Zuid-
Hollandsche Waard. Den len October 1421,
dus enkele weken vóór de catastrophe, werd het
geschil bijgelegd. De beide putten zouden in
stand blijven, "omdat wel kenlic is datsi dair
den gemenen lande gheen hinder en sijn".
Dergelijke holen of putten, ontstaan door het
turfdelven of moeren, waren in de nabijheid
der dijken voor deze zeer gevaarlijk.
Maar behalve de gevaren aan de zuidzijde
van de Waard, was ook de Merwede, die menig-
maal al het bovenwater niet zwelgen kon, een
doorloopende bedreiging der veiligheid. Reeds
in 1374, 1376 en 1393 brak zij bij Werkendam
door hare dijken, en het kostte aan den graaf
en de stad Dordrecht heel wat inspanning, om
grootere onheilen te voorkomen.
Voor de ramp van 1421 diene men ook in
aanmerking te nemen: den slechten toestand
der dijken in het algemeen, tengevolge van het
uitvenen of moeren in hunne nabijheid, het
verwaar-loczen van den noodigen onderhoud
tengevolge van den oorlogstoestand, die sedert
1417 heer schte, het beleg van Dordrecht 1418
enz.; dit alles heelt middellijk de catastrophe
verhaast.
De Zuid-Hollandsche Waard was vóór 1421
een landstreek van ongeveer 50.000 morgen

