Page 28 - Stuij Familiemagazine juli 2000
P. 28

Stuij Familie Magazine

Men ging, op aanraden van genoemde heren, de zaak eens op een rij zetten en men
verzamelde alle over de streek bekende gegevens. Officiële geschreven bronnen en uiteraard
ook "Vink' maar ook de legenden van overlevering en fantasieën.
Men ontdekte al spoedig dat de „Giessenburg‟ pas omstreeks 1425 kon zijn gebouwd. Geen
spoor van een Romeins verleden, alle graaf- en baggerwerk ten spijt. Het kasteeltje was wel
gebouwd door de Brederodes, maar die hadden al eeuwen daarvoor hun oorsprong in
Kennemerland. Ze ontdekten echter wel dat in het Alblasgebied Romeinen gewoond hadden,
en wel zeer intensief, want kisten vol aardewerkscherven werden daar opgegraven uit de
eerste en tweede eeuw na Christus. Ook werd, zij het schaars, Romeinse bewoning ontdekt in
Papendrecht, Bleskensgraaf, Hoogblokland en Vianen.
De amateurs hadden zich inmiddels aangesloten bij de Archeologische werkgemeenschap
Nederland. Er werd een werkgroep Lek- en Merwestreek gevormd, met als werkgebied de
Alblasserwaard, de Vijfheerenlanden, het Eiland van Dordrecht en het Land van Heusden en
Altena. Inmiddels had men ook contact gezocht met de R.O.B. (de Rijksdienst voor het
Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort). De officiële archeologie had nog maar
weinig belangstelling. Deze tak van wetenschap was nauwelijks de kinderschoenen ontgroeid
in die tijd. Vóór de oorlog waren er enkele universiteiten die zich met de archeologie
bezighielden. Na de oorlog werd de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek
(R.O.B.) geïnstalleerd. Toen de amateurs activiteiten gingen ontwikkelen was men nog in een
opbouwfase. Men kreeg soms de indruk dat het corps ROB-mensen nog wat restanten waren
van de sjibbe-kundigen uit de oorlog. Amateurs werden op hooghartige wijze genegeerd.
Naderhand kwam er van beide zijden meer begrip, maar de A. W. N. rapporteerde vrijwel
uitsluitend aan de Universiteit te Leiden. Die verhouding was zakelijk en vriendschappelijk.

De ruilverkaveling
Het onderzoek van de amateurs begon wat meer structuur te krijgen. In 1956 was besloten om
in de Alblasserwaard de grootste ruilverkaveling van Europa te gaan uitvoeren. Geologen uit

                                                           Haarlem en bodemkarteerders uit
                                                           Wageningen kwamen de streek verkennen.
                                                           Duizenden boringen werden gezet en alles
                                                           werd in kaart gebracht.
                                                           De amateurs legden contact met die
                                                           geologen en karteerders. Eén geoloog sloot
                                                           vriendschap met de Alblasserwaardse groep
                                                           en ging de meeste zaterdagen mee de polder
                                                           in. Hij wist door zijn werk, maar nog meer
                                                           door zijn belangstelling veel af van de
                                                           archeologie. Het was Willem van Brenkelen.
                                                           Men ging vanaf dat moment meer gericht te
                                                           werk met boren en putjes graven op donken
en stroomruggen. Ze vonden niet alleen verkleuringen van woongrond onder de afdekkende
kleilaag in het zand, maar ook scherven van primitief aardewerk en stukjes vuursteen. Dit
laatste was belangrijk want aan vuursteen herkent men de prehistorie. Bekend was dat men
toen nog geen stenen huizen had. Evenmin was men in het bezit van glas en metaal.
Werktuigen zoals messen, krabbers, dolken en bijlen maakte men hoofdzakelijk van
vuursteen, dat o.a. betrokken werd uit Limburg. (wordt vervolgd).

juli 2000  27
   23   24   25   26   27   28   29   30   31   32   33