Page 26 - elizabethsvloed
P. 26
28
de Merwede aan de stad behoorde, bezat deze
in den Noordpolder vele rechten en eigendom-
men.
In 1616 (13 September) verkregen de Arnbachts-
heeren van Dubbeldam, en de Mijl, de eigenaars
van de Crabbe en die van zekere 35 morgen
400 roeden gorzen in de heerlijkheid van de
Merwede, octrooi, om hunne gorzen ter grootte
van 445 morgen te mogen bedijken. In 1617 was
deze bedijking volbracht, en een derde polder,
de Zuidpolder. aangewonnen. Ook deze was
een molenpolder, die door den Bovenmolen
werd bemalen. Zoo ontstond van lieverleden
het eiland van Dordrecht.
In 1652 werd de Alloysen- of Bovenpolder
bedijkt, volgens octrooi van 27 November 1651,
maar deze was geen molen- doch een sluis-
polder. De Wieldrechtsche polder ontstond
volgens octrooi van 8 Maart 1659 en omvatte
gronden der heerlijkheden Dubbeldarn, de Mijl
en Wieldrecht benevens Domeingronden. De
laatste werden evenwel in 1660 aan particulieren
verkocht.
Door verschillende doorbraken, o.a. in 1715
en 1717 in hun bestaan bedreigd, traden de
besturen der onderscheidene polders met elkaar
in overleg, om tot een gemeenschappelijke
dijkage te komen, en zoo kwam 25 Maart 1718
een Conventie tot stand voor den tijd van 6

