Page 33 - Stuij Familiemagazine november 1998
P. 33
Stuij Familie Magazine
nog wel een akkertje voor graanteelt of voor een koe of geit. Ze woonden in huizen, gebouwd
met materiaal dat voorhanden was: riet en wilgenhout.
Aardewerkscherven uit de 12e eeuw van deze vrijbuiters in de wildernis hebben we gevonden
in Hardinxveld, Papendrecht, Giessen-Nieuwkerk, Hoornaar, Hoog-Blokland en Arkel. Het
waren slechts kleine concentraties, soms midden in de polder, op hogere plaatsen.
Bijvoorbeeld achterin de polder Wijngaarden en in Bleskensgraaf op een stroomrugje nabij
het benzinestation langs de Provinciale weg.
Waar deze vrijbuiters gebleven zijn, is totaal onbekend. Men werd toen natuurlijk nog niet
geregistreerd en van lezen en schrijven zullen ze wel nooit gehoord hebben. Het was een
minderheid. Hebben ze ook een stuk land gekregen? Hebben ze zich verhuurd aan de
immigranten of hebben deze hen verdreven naar een gedeelte dat moeilijk te ontginnen was?
Naar 't Achterland bijvoorbeeld, waar waarschijnlijk eerst alleen maar de buurtschap
tegenover de Braankse Kikkert bewoond was. Of naar Wijngaarden, ook een laag stuk
veenland, dat ze zo'n mooie naam gegeven hebben om de mensen te lokken die aanvankelijk
niet naar die afgelegen hoek toe wilden.
Iedere pionier kreeg een hoeve toebedeeld. Een hoeve was geen hofstee, maar een stuk land
van ongeveer 16 morgen. Dat wil zeggen, als het Rijnlandse morgens betreft, ongeveer 14
hectare. Dit verschilt echter per ontginningsgebied.
Men kreeg het land, en zo ook de opvolgers in rechte, ter vrije beschikking. Men was geen
diensten, maar wel tienden verschuldigd aan degene die de grond in cope uitgaf. Soms gold
de verplichting dat men mee ter heervaart moest.
Nieuwe toeloop
Wie waren die immigranten die het Utrechts-Hollands veengebied - dus ook de
Alblasserwaard - kwamen bevolken? Hoogstwaarschijnlijk enkele gunstelingen of
familieleden (het stikte van de bastaarden) van hen die ook weer als gunsteling of familielid
van een hogere ridder of knaap een bepaald gedeelte in leen ontvangen hadden. Zij zullen de
baantjes wel gekregen hebben. Gezag moet er tenslotte zijn. In die tijd zal 't gevecht om in
het polderbestuur te komen al begonnen zijn. Maar het grootste deel van de pioniers zal van
elders hierheen gekomen zijn. Men hoefde niet rijk te zijn, maar er moest wel een kleine som
betaald worden. Soms ziet men dat die som over een paar jaar kon worden uitgesmeerd.
Het zijn waarschijnlijk Friezen, Brabanders en Geldersen geweest die de Alblasserwaard, die
vanaf 5000 jaar voor Chr. tot 1000 jaar na Chr. slechts zo spaarzaam bewoond of bezocht
werd, kwamen bevolken om hier een zelfstandig bestaan op te bouwen. Zelfstandigheid en
vrijheid zullen die mensen hebben nagestreefd. Als zelfstandigen werden ze met rust gelaten,
waren ze eigen baas, konden ze zich ontplooien, een betere levensstandaard en een hogere
status verwerven. Ze hadden bezit, een stuk land, net als hun heer in de streek van hun
herkomst aan wie ze onderhorig waren, of voor wie ze misschien wel waren gevlucht.
Wie zal ooit weten wat hen bewoog om zich hier in die barre verlatenheid, tussen de twee
grote onbeteugelde rivieren Lek en Merwede en temidden van kreken en moerassen te komen
vestigen? Zullen ze ooit nog naar hun geboortegrond zijn terug geweest, naar ouders of
verwanten? Waar ze ook heen gewild hadden of gegaan zijn, hun tocht moest gaan over het
water, want wegen waren er nog niet.
November 1998 32

